Bij het toekennen van een schadeloosstelling wordt door de fiscus onderscheid gemaakt tussen een kwalitatieve en een kwantitatieve toets om te bepalen of er sprake is van een Recht op Vervroegde Uittreding (RVU) en daarmee een extra heffing van 26%.
Bij het toekennen van een gouden handdruk of schadeloosstelling moet altijd eerst naar de kwalitatieve toets bekeken worden, daarna eventueel nog naar de kwantitatieve toets.
De kwalitatieve toets
Er is sprake van een 26% eindheffing als de ontslaguitkering ten doel heeft te voorzien in een overbrugging naar de ingangsdatum van de pensioen- of AOW-uitkeringen dan wel een aanvulling is op pensioenuitkeringen.
In de onderstaande 2 meest voorkomende ontslagsituaties is geen sprake van een RVU en dus zal er geen eindheffing plaatsvinden.
1. Geen eindheffing bij (collectief) ontslag wegens reorganisatie
Als de reorganisatie plaatsvindt met het oog op de vermindering van het personeelsbestand op basis van objectieve criteria, waarbij niet de intentie bestaat alleen ouderen met het oog op de vervroegd uittreden te ontslaan, is er niets aan de hand.
Onder objectieve criteria wordt verstaan:
Reguliere toepassing van het huidige lifo-systeem (last in – first out) binnen de diverse leeftijdsgroepen, waarbij de werknemers met de meeste dienstjaren de sterkste rechtsbescherming genieten;
Toepassing van het afspiegelingsbeginsel, waarbij de betrokken groep ontslagen werknemers een afspiegeling vormt van het totale werknemersbestand.
Dus wanneer een gelijke groep oudere werknemers vanaf een bepaalde leeftijd (bijvoorbeeld 55, 60 of 62 jaar) de mogelijkheid heeft om met een financiële regeling af te vloeien en verder worden er geen personeelsleden ontslagen dan zal de inspecteur der belastingen stellen dat er sprake is van een RVU en dus zal er een 26%-eindheffing aan de werkgever worden opgelegd.
2. Geen eindheffing bij niet leeftijdsgerelateerd individueel ontslag
Een uitkering bij ontslag wegens disfunctioneren, heeft in beginsel niet tot doel een inkomensoverbrugging te geven tot het ingaan van een pensioen- of AOW-uitkering. Onder ontslag wegens disfunctioneren worden in dit verband ook vergelijkbare ontslaggronden begrepen, zoals bijvoorbeeld onenigheid over het te voeren beleid of onverenigbaarheid van karakters. De hoogte van dergelijke uitkeringen wordt meestal bepaald met behulp van de kantonrechtersformule.
Dat geldt uiteraard niet als blijkt dat de betrokken werkgever voornamelijk werknemers van of boven een bepaalde leeftijd (bijvoorbeeld 55, 60 of 62 jaar) 'wegens disfunctioneren' ontslaat. Ook in dit geval zal de belastinginspecteur stellen dat er sprake is van een RVU en dus zal er een 26%-eindheffing aan de werkgever worden opgelegd.
Overige situaties
Voor de situaties waarbij geen sprake is van reorganisatie of disfunctioneren, wordt de financiële regeling bij ontslag getoetst op basis van de kwantitatieve benadering.
Ten aanzien van de kwantitatieve toets kunnen er twee situaties onderscheiden worden:
de situatie waar de ingangsdatum van de periodieke uitkeringen bij toekenning vaststaat en de situatie waarin dit niet het geval is.
De ingangsdatum van de periodieke uitkeringen staat vast.
Er zijn twee toetsen mogelijk
De 55-jaartoets: Deze geldt wanneer de periodieke uitkeringen uiterlijk op de dag voordat de werknemer de 55-jarige leeftijd bereikt, eindigen. Er is dan geen sprake van een RVU indien geen enkele uitkering op jaarbasis hoger is dan 100% van het laatstgenoten reguliere jaarsalaris uit de dienstbetrekking waaruit de werknemer wordt ontslagen;
De 70%-toets: Deze geldt wanneer niet wordt voldaan aan de 55-jaartoets. Hier dient een fictieve actuariële berekening plaats te vinden, waarbij naar actuariële maatstaven moet worden berekend welke maximale gelijkblijvende periodieke uitkeringen kunnen worden aangekocht over de gehele looptijd. De looptijd wordt gesteld op de periode tussen de ingangsdatum van het stamrecht tot aan de dag 24 maanden voorafgaand aan de ingangsdatum van de AOW dan wel de eerdere pensioendatum. De regeling is geen RVU indien de aldus berekende jaarlijkse uitkering, tezamen met de naar verwachting te ontvangen uitkeringen uit dezelfde vroegere dienstbetrekking (WW, ZW, WAO, VUT, prepensioen, levensloop, etc), gelijk is aan of minder bedraagt dan 70% van het laatstgenoten reguliere salaris.
Na de berekening mag de pensioendatum niet meer worden gewijzigd en de laagste uitkering mag niet minder bedragen dan 75% van de hoogste uitkering. De 70%-toets is een fictieve toets.
Blijkt de regeling op basis van de 70%-toets geen RVU te zijn, dan mag de daadwerkelijke looptijd en de hoogte van de termijnen (binnen de bandbreedte 100:75) afwijken.
De ingangsdatum van de periodieke uitkering staat niet vast
In de toekenningsfase kan men er bij fictie vanuit gaan dat het stamrecht ingaat op de dag van storting bij de verzekeraar. Indien, berekend op grond van die fictie, wordt voldaan aan de 55-jaartoets of de 70%-toets, is er geen sprake van een RVU.
Er vindt bij de kwantitatieve toets dus maar 1 beoordeling plaats, te weten bij de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Wordt dan vastgesteld dat er geen eindheffing verschuldigd is dan kan een latere wijziging daar geen verandering meer in brengen.
De fiscus heeft een aantal spelregels geformuleerd waaraan zowel werkgever als werknemer zich dienen te houden om te kunnen spreken van een gouden handdruk of ontslagvergoeding. Wanneer één van de partijen zich onttrekt aan deze regels bestaat de mogelijkheid dat de Belastingdienst de gekozen constructie niet beschouwt als een stamrecht. In dat geval gelden uiteraard niet de voor het stamrecht geldende fiscaal vriendelijke faciliteiten.
Ingangsdatum en looptijd van de uitkering
In de beschrijving van de vormen van een stamrecht is duidelijk onderscheid gemaakt tussen een direct ingaand en een uitgesteld stamrecht. In principe stelt de fiscus geen zware eisen aan de aard van een periodieke uitkering. In alle gevallen gelden de volgende regels:
De periodieke uitkering moet uiterlijk ingaan op de 65-jarige leeftijd van de werknemer;
Te allen tijde moet een uitkering voldoen aan het 1%-sterftecriterium;
Er moet een keuze worden gemaakt tussen een levenslange uitkering, een tijdelijke uitkering of een combinatie van deze twee.
Een stamrechtuitkering moet bestaan uit tenminste drie opeenvolgende periodieke uitkeringen, bijvoorbeeld drie maanden, drie kwartalen of drie jaren;
De periodieke uitkeringen kunnen gedurende de looptijd onderling in hoogte verschillen. De hoogste uitkering mag echter nooit meer bedragen dan 5 maal de laagste uitkering.
Flexibiliteit
Afhankelijk van de gekozen verzekeringsmaatschappij bestaat, fiscaal gezien, wél de mogelijkheid om een eenmaal ingegane periodieke uitkering tijdelijk te staken. In geval van een uitgesteld stamrecht kan indien gewenst de periodieke uitkering eerder ingaan dan het moment dat oorspronkelijk met de verzekeringsmaatschappij was overeengekomen.
Uitkeringsgerechtigden
Om in aanmerking te komen voor een onbelaste aanwending van de gouden handdruk of ontslagvergoeding, dienen de periodieke uitkeringen uit het stamrecht toe te komen aan:
de werknemer en dienen uiterlijk op 65 jarige leeftijd in te gaan;
de (gewezen) partner van de werknemer;
de (stief-/pleeg)kinderen van de werknemer die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt.
Belastingheffing
Eenmalige uitkering
Progressieve heffing in box 1 (maximaal 52%);
Netto gouden handdruk wordt (eventueel) belast als bezitting in box 3 (1,2%)
Lijfrente
Recht op periodieke uitkeringen wordt niet in de heffing van box 3 betrokken;
Uitkeringen worden in het jaar van ontvangst progressief belast in box 1 (maximaal 52%);
Netto uitkeringen worden (eventueel) belast als bezitting in box 3 (1,2%).
Meer weten over de spelregels met de gouden handdruk of ontslagvergoeding? Lees dan onze brochure, maak een vrijblijvende afspraak met een van onze adviseurs via telefoonnummer (010) 477 70 21 of stuur ons een e-mail.
De bovenstaande punten zijn harde voorwaarden, daarnaast zijn er ook nog twee andere criteria: